CGKR: "La mérule flamande" is niet racistisch
(...) Laurette Onkelinx ontkende in verschillende interviews in de nasleep van haar toespraak dat ze Vlamingen zwammen of schimmels heeft genoemd. In een recht van antwoord dat `Libération' op 16/10/07 publiceerde, verduidelijkt Minister Laurette Onkelinx dat de verwijzing naar zwammen op een gewijzigde strategie van de Vlaamse onderhandelaars sloeg, en niet op Vlamingen in het algemeen of Vlaamse politici in het bijzonder. Volgens de Minister komt deze strategie erop neer dat de Vlamingen beetje bij beetje de Belgische federale staatstructuur uithollen omdat zij er binnen de huidige onderhandelingen niet in zouden slagen om een grote staatshervorming uit de brand te slepen.
Artikel 22 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (B.S., 30 mei 2007) bepaalt dat de vrije meningsuiting stopt daar waar men anderen met kwaadwillige bedoelingen 'aanzet tot discriminatie, haat of geweld' op grond van onder meer de 'taal' of de 'politieke overtuiging'. Artikel 20 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden (B.S., 30 mei 2007) voorziet in een analoge bepaling met betrekking tot het aanzetten tot haat op grond van onder meer de 'etnische afstamming'.
De strafbaarstelling van haatboodschappen (`hate speech'), moet -net zoals andere strafwetten- steeds beperkend geïnterpreteerd worden. Bovendien begrenzen deze strafbaarstellingen de vrije meningsuiting, zodat er ook rekening gehouden moet worden met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in deze materie.
Het Hof benadrukt dat men zijn standpunten moet kunnen uitdrukken, zelf 'to those that offend, shock or disturb the State or any sector of the population' (EHRM, 7 december 1976, Handyside t. VK). Vanuit zijn visie op democratie kent het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een nog grotere bescherming toe aan de vrijheid van politieke meningsuiting: "there is little scope under article 10 § 2 of the Convention for restrictions on political speech or on debate on matters of public interest" (zie o.m.: EHRM, 25 november 1996, Wingrove t. VK; EHRM, 25 november 1999. Nilsen en Johnsen t. Noorwegen). Het Hof zegt het hoogste belang te hechten aan de vrijheid van meningsuiting "in the context of political debate" (EHRM, 12 juli 2001, Feldek t. Slovenië). "Very weighty reasons" moeten naar voren kunnen worden geschoven om beperkingen van de vrije meningsuiting in de politieke context te rechtvaardigen (EHRM, 17 december 2002, A. t. VK; EHRM, 31 januari 2003, Cordova t. Italië).
In de mate dat de uitspraken van de Minister over 'de (Vlaamse) zwam' gekaderd dienen te worden in de communautaire spanningen tussen Vlamingen en Walen bepalen de voorbereidende werkzaamheden bij de antiracismewet van 30 juli 1981 dat deze wetgeving niet toepasselijk is. De wetgever nam, nadien met de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, de 'taal' op als wettelijk beschermd criterium (artikel 3) maar voorzag eveneens uitdrukkelijk (artikel 29, § 1) dat het Centrum niet bevoegd is om dergelijke meldingen te behandelen. De volgende regering dient bij koninklijk besluit een gespecialiseerde instelling aan te duiden die wél advies en bijstand kan verlenen aan personen die vragen en/of meldingen van discriminatie hebben op grond van hun taal.
Naast de bevoegdheidsproblematiek voor wat het Centrum betreft inzake communautaire kwesties, dient men bij de inhoudelijke beoordeling van het strafbare karakter van de uitspraken eveneens rekening te houden met 1° de context, 2° de verduidelijking die Minister Onkelinx gaf, en 3° de ruime bescherming die het Europese Hof verleent aan de vrijheid van politieke meningsuiting. Op basis van deze elementen meent het Centrum niet bevoegd te zijn. Daarenboven lijken er onvoldoende zwaarwichtige aanwijzingen van schuld te zijn om via de politie- of gerechtelijke diensten een strafonderzoek of –procedure op te starten.
Antwoord van het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding op een klacht naar aanleiding van de uitspraken van Laurette Onkelinx, 29 november 2007.
Artikel 22 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (B.S., 30 mei 2007) bepaalt dat de vrije meningsuiting stopt daar waar men anderen met kwaadwillige bedoelingen 'aanzet tot discriminatie, haat of geweld' op grond van onder meer de 'taal' of de 'politieke overtuiging'. Artikel 20 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden (B.S., 30 mei 2007) voorziet in een analoge bepaling met betrekking tot het aanzetten tot haat op grond van onder meer de 'etnische afstamming'.
De strafbaarstelling van haatboodschappen (`hate speech'), moet -net zoals andere strafwetten- steeds beperkend geïnterpreteerd worden. Bovendien begrenzen deze strafbaarstellingen de vrije meningsuiting, zodat er ook rekening gehouden moet worden met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in deze materie.
Het Hof benadrukt dat men zijn standpunten moet kunnen uitdrukken, zelf 'to those that offend, shock or disturb the State or any sector of the population' (EHRM, 7 december 1976, Handyside t. VK). Vanuit zijn visie op democratie kent het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een nog grotere bescherming toe aan de vrijheid van politieke meningsuiting: "there is little scope under article 10 § 2 of the Convention for restrictions on political speech or on debate on matters of public interest" (zie o.m.: EHRM, 25 november 1996, Wingrove t. VK; EHRM, 25 november 1999. Nilsen en Johnsen t. Noorwegen). Het Hof zegt het hoogste belang te hechten aan de vrijheid van meningsuiting "in the context of political debate" (EHRM, 12 juli 2001, Feldek t. Slovenië). "Very weighty reasons" moeten naar voren kunnen worden geschoven om beperkingen van de vrije meningsuiting in de politieke context te rechtvaardigen (EHRM, 17 december 2002, A. t. VK; EHRM, 31 januari 2003, Cordova t. Italië).
In de mate dat de uitspraken van de Minister over 'de (Vlaamse) zwam' gekaderd dienen te worden in de communautaire spanningen tussen Vlamingen en Walen bepalen de voorbereidende werkzaamheden bij de antiracismewet van 30 juli 1981 dat deze wetgeving niet toepasselijk is. De wetgever nam, nadien met de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, de 'taal' op als wettelijk beschermd criterium (artikel 3) maar voorzag eveneens uitdrukkelijk (artikel 29, § 1) dat het Centrum niet bevoegd is om dergelijke meldingen te behandelen. De volgende regering dient bij koninklijk besluit een gespecialiseerde instelling aan te duiden die wél advies en bijstand kan verlenen aan personen die vragen en/of meldingen van discriminatie hebben op grond van hun taal.
Naast de bevoegdheidsproblematiek voor wat het Centrum betreft inzake communautaire kwesties, dient men bij de inhoudelijke beoordeling van het strafbare karakter van de uitspraken eveneens rekening te houden met 1° de context, 2° de verduidelijking die Minister Onkelinx gaf, en 3° de ruime bescherming die het Europese Hof verleent aan de vrijheid van politieke meningsuiting. Op basis van deze elementen meent het Centrum niet bevoegd te zijn. Daarenboven lijken er onvoldoende zwaarwichtige aanwijzingen van schuld te zijn om via de politie- of gerechtelijke diensten een strafonderzoek of –procedure op te starten.
Antwoord van het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding op een klacht naar aanleiding van de uitspraken van Laurette Onkelinx, 29 november 2007.

Rick
Een ruime bescherming, wellicht, maar net niet genoeg om vrijspraak te verlenen mbt de uitspraken van FDW & co op het "Vlaams Blokproces".