De antiracismewet en de vrije meningsuiting
(...) Het verspreidingsverbod in art. 21 van de Antiracismewet is de nagenoeg letterlijke weergave van art. 4(a) van het Antiracismeverdrag, dat de verdragsstaten onder meer verplicht "strafbaar bij wet te verklaren het verspreiden, op welke wijze ook, van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat". In het Parlement verantwoordde de Minister het verspreidingsverbod in de nieuwe wet dan ook steevast met een verwijzing naar art. 4(a) van het Antiracismeverdrag en de internationaalrechtelijke verplichtingen van België. Hieronder zal evenwel worden aangetoond dat België geenszins internationaalrechtelijk gebonden is tot de strafbaarstelling van "het verspreiden van denkbeelden gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat", zonder daaraan enige afweging tegenover het recht op vrije meningsuiting te koppelen.
1° De "due regard"-clausule in art. 4 van het Antiracismeverdrag
Allereerst blijkt reeds uit de tekst zelf van art. 4 van het Antiracismeverdrag de noodzaak om het strafrechtelijk beteugelde verspreidingsverbod af te wegen tegenover de vrijheid van meningsuiting. De strafbaarstelling dient volgens art. 4 immers te gebeuren "met inachtneming van de beginselen vervat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en van de rechten die uitdrukkelijk worden genoemd in artikel 5 van dit Verdrag", waaronder het recht op vrijheid van mening en van meningsuiting (hierna: de "due regard"-clausule). Deze "due regard"-clausule was in het Antiracismeverdrag ingevoegd om tegemoet te komen aan de vrees van een aantal staten dat art. 4 een te grote aantasting zou betekenen van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging. Over de concrete betekenis van deze clausule voor het verspreidingsverbod bestaat evenwel onenigheid tussen vele, vooral westerse, verdragsstaten en de CERD. Terwijl vele verdragsstaten van oordeel zijn dat op zijn minst een afweging moet worden gemaakt tussen de vrijheid van meningsuiting en het verspreidingsverbod, acht de CERD het verspreidingsverbod hoe dan ook verenigbaar met de vrijheid van meningsuiting, zonder een deugdelijke voorafgaande afweging van de in het geding zijnde grondrechten. Nochtans geeft de CERD een zeer ruime draagwijdte aan art. 4(a) van het Antiracismeverdrag door geen nadere voorwaarden (bv. inzake opzet, publiciteit of schadelijke gevolgen) op te leggen voor de strafbaarheid van het verspreiden van denkbeelden gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat.
2° De Belgische "toelichtende verklaring"
De ruime draagwijdte van art. 4 van het Antiracismeverdrag heeft een groot aantal westerse verdragsstaten ertoe aangezet bij die bepaling een voorbehoud te maken of een interpretatieve verklaring af te leggen, teneinde onder meer de vrijheid van meningsuiting te vrijwaren. Ook België heeft, naar aanleiding van de ratificatie van het Antiracismeverdrag in 1975, een "toelichtende verklaring" bij art. 4 afgelegd. Uit die toelichtende verklaring en uit de parlementaire voorbereiding van de instemmingswet blijkt dat de wetgever aan het Antiracismeverdrag enkel de goedkeuring heeft gehecht in de interpretatie dat de bij art. 4 opgelegde verplichtingen "dienen samen te gaan met de vrijheid van mening en meningsuiting, alsmede met het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging" (eigen cursivering), afgekondigd in art. 19 en 20 van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens, art. 19 en 21 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en art. 10 en 11 van het E.V.R.M. Ook uit deze toelichtende verklaring komt derhalve de noodzaak van een grondrechtenafweging naar voor. Aangezien het Comité van Ministers van de Raad van Europa uitdrukkelijk op het afleggen van een dergelijke verklaring had aangestuurd, is deze terug te vinden in heel wat ratificaties van verdragspartijen die tevens tot de Raad van Europa behoren. Aangezien een verdrag slechts bestaat bij gratie van de staten die het hebben geratificeerd en in de mate dat die staten het hebben geratificeerd, moet worden aangenomen dat België door art. 4 van het Antiracismeverdrag op internationaal vlak enkel gebonden kan worden geacht binnen de grenzen van zijn "toelichtende verklaring".
3° De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Dat een strafrechtelijke veroordeling wegens het verspreiden van denkbeelden gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat niet noodzakelijk verenigbaar is met de vrijheid van meningsuiting, blijkt overigens ook uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In het bijzonder kan hier op het arrest Jersild t/ Denemarken worden gewezen. Het Europees Hof zag met name een schending van de vrijheid van meningsuiting in de strafrechtelijke veroordeling van een Deense journalist die op televisie een interview had afgenomen waarin de geïnterviewde personen racistische standpunten hadden verkondigd. Nochtans was die strafrechtelijke veroordeling gegrond op een Deense wet die het verspreidingsverbod van art. 4(a) van het Antiracismeverdrag omzette. Ook uit latere rechtspraak van het Europees Hof blijkt dat veroordelingen wegens "hate speech" niet per definitie een geoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting uitmaken. Steeds is een afweging in concreto nodig tussen de conflicterende grondrechten, waarbij zowel de inhoud als de context van de meningsuitingen, alsook de aard en de zwaarte van de sancties in de schaal worden gelegd.
Weliswaar zal het Europees Hof art. 21 van de Antiracismewet als dusdanig niet strijdig achten met art. 10 van het E.V.R.M., omdat het Hof enkel concrete veroordelingen beoordeelt en geen wetgeving in abstracto. Bovendien meent het Hof dat het in een democratische samenleving in principe nodig kan worden geacht om repressieve of preventieve maatregelen uit te vaardigen tegen alle expressievormen die haat gebaseerd op intolerantie propageren, ertoe aanzetten, stimuleren of rechtvaardigen. Niettemin vereist het Hof dat die maatregelen evenredig zijn ten opzichte van hun legitieme doelstelling. Een strafrechter die moet oordelen over een beweerde schending van art. 21 van de Antiracismewet zal dus steeds moeten nagaan of een strafrechtelijke veroordeling de vrijheid van meningsuiting van de beklaagde niet op onevenredige wijze beperkt. In de tekst van art. 21 van de Antiracismewet ontbreekt evenwel elke verwijzing naar een dergelijke proportionaliteitstoets, laat staan naar een toetsingskader dat de rechter daarvoor kan hanteren. Zoals hierboven aangetoond, is dat betreurenswaardig in het licht van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, nog daargelaten de vraag of een uitlegging van het verspreidingsverbod in overeenstemming met onze constitutioneelrechtelijke opvatting van de vrijheid van meningsuiting überhaupt wel mogelijk is.
Besluit.
Deze bijdrage mag niet worden gezien als een pleidooi voor de verspreiding van racistische denkbeelden. Wel wil zij benadrukken dat de rechterlijke beoordeling van "hate speech"-cases steeds een afweging vergt van grondrechten, namelijk het recht op vrije meningsuiting versus het recht op niet-discriminatie. (...)
Elke Cloots in Rechtskundig Weekblad, 1 maart 2008



Reacties
chris impens
zaterdag, 1 maart, 2008 - 14:19Aandoenlijk toch, hoe een juriste zich in een vakblad moet indekken tegen het vermoeden dat zij pleit voor het verspreiden van "racistische" denkbeelden. De aanhalingstekens zijn mijn toevoeging, want wat de Belgische wetgever, politici en rechters daaronder verstaan heeft geen uitstaans met wat de burger, die zij nochtans heten te vertegenwoordigen, daaronder verstaat. Een dergelijk conflict tussen burger en regime is in een democratie per definitie onmogelijk, zoals de Verhofstadt van de burgermanifesten zeer goed begrepen zou hebben.