Godsdienst als ongewenst neveneffect van ons brein
Ik ben geneigd om godsdienstigheid te beschouwen als een neveneffect van een eigenschap van ons brein, die een andere evolutionaire functie heeft. Laat ik een analogie gebruiken. Waarom vliegen motten in de vlam van een kaars? Je zou dat suïcidaal gedrag kunnen noemen, en dan lijkt het vreemd. Maar er is een betere verklaring. Vóór de mens kaars en lamp had uitgevonden, waren hemellichamen de enige nachtelijke lichtbronnen. Die fungeren als kompas voor motten. Zulke diertjes hebben een ingebouwde vuistregel om hun weg te vinden. Zodra je kaarsen introduceert, zal die regel ertoe leiden dat de motten in de kaars vliegen en opbranden. Ik vermoed dat godsdienstigheid iets gelijkaardigs is: ons brein is geëvolueerd om te overleven in het Stenen Tijdperk. Zo hebben kinderen een ingebouwde vuistregel die zegt: geloof alles wat je ouders of de ouderen van de stam je vertellen. Erg nuttig: iemand moet het kind vertellen dat tijgers en slangen gevaarlijk zijn. Kinderen die dat geloven, zullen over het algemeen langer leven. Maar die vuistregel maakt ons ook kwetsbaar: behalve waarheden kunnen we evengoed geneigd zijn om onwaarheden te geloven. En daaruit wil ik mensen redden. We hebben de gelegenheid om voor onze dood een aantal zaken echt te begrijpen. Ik vind het tragisch als mensen die gelegenheid verspillen aan godsdienst. Al vind ik wel dat kinderen de godsdienst van hun voorouders moeten leren, dat maakt deel uit van hun culturele opvoeding.
Richard Dawkins, geïnterviewd door Joël De Ceulaer in Knack van 9 juni 2004


