Koningshuis was nooit neutraal

Beperken we ons tot de recente politieke geschiedenis van de voorbije kwarteeuw, dan is de lijst van valse noten in de symfonie van koningshuis en politiek fors gevuld:
- 1979: De ontmoeting van Koning Boudewijn, op een uitrit van de autoweg Brussel-Luik, met José Happart, toen nog slechts de leider van de extremistische groupuscule "Retour à Liège" uit Voeren.
- 1990: De weigering, vanuit gewetensbezwaren, van Koning Boudewijn om zijn handtekening te plaatsen onder de democratisch gestemde abortuswet.
- 1990: De brief van Koning Boudewijn aan de regering met het verzoek om troepen te sturen naar Rwanda, waar de positie bedreigd werd van zijn vriend president Habyarimana, waarmee hij een hechte, op religie gebaseerde persoonlijke band had.
- 1993: Het ontbieden van Vlaams minister-president Luc Van den Brande door Koning Boudewijn, nadat Van den Brande zich in een interview met La Libre Belgique had uitgesproken voor een uitbreiding van de Vlaamse bevoegdheden.
- 1998: Het persoonlijk ingrijpen van Koning Albert om de Generale Bank niet in handen te laten vallen van het Nederlandse ABN-Amro, maar van het Belgisch-Nederlandse consortium Fortis.
In al deze gevallen ging het om pogingen van de koning om persoonlijk door te wegen op de politieke (of, in één geval, de economische) besluitvorming. De politieke pogingen mislukten allemaal, maar de economische interventie inzake de overname van de Generale Bank lukte wel degelijk.
De pertinente vraag is evenwel of de koning en de prins door deze bewuste, niet-neutrale interventies mee bijdragen tot het ondergraven van hun eigen instituut, de monarchie. De controverses die deze dubieuze pogingen uitlokten, zijn in ieder geval niet van aard om het respect voor de monarchie te verhogen. Vanuit die optiek kunnen we dan ook spreken van stuntelige, contra-productieve interventies die blijk geven van een foutief inschattingsvermogen bij ofwel de koning of de prins, ofwel bij de raadgevers die aan de basis lagen van de interventies. In het geval van prins Filip zou de uitspraak over het Vlaams Belang alvast de uitdrukkelijke goedkeuring tot publicatie gekregen hebben van zijn adviseurs Didier Nagent en Ghislain d'Hoop.
Indien we uitgaan van de wenselijkheid van het voortbestaan van België, dan vormt een koningschap dat beperkt wordt tot een louter protocolaire rol, de beste garantie voor het vermijden van uitschuivers, blunders en contra-productieve ingrepen. Op dit ogenblik heeft de vorst een rol die verder gaat: bij regeringsvormingen benoemt hij de informateurs en de formateurs, en hij ondertekent nog steeds de wetten, wat inhoudt dat hij een politieke crisis kan uitlokken door te weigeren een wet te ondertekenen. Indien we uitgaan van de wenselijkheid van het verdwijnen van België, dan vormt een monarchie die regelmatig uit zijn rol valt, zoals gisteren opnieuw het geval was, de beste garantie voor een destabilisering van het regime.
Er zijn ook voorbeelden van interventies van de vorst die niet contra-productief waren, maar daadwerkelijk bijdroegen tot een versterking van de stabiliteit van het land. De in 1885 opgerichte Belgische Werklieden Partij was fel republikeins. De socialistische verkozenen schepten er een genoegen in om de jaarlijkse troonrede van de vorst te onderbreken met luidkeels gescandeerde slogans voor het algemeen stemrecht. Na de eerste wereldoorlog sloeg de republikeinse houding echter totaal om, nadat Koning Albert I zich persoonlijk had ingezet voor de totstandkoming van het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen, en een persoonlijke vriendschap had aangeknoopt met de socialistische leiders. Sindsdien zijn binnen de socialistische beweging geen republikeinse oprispingen meer gehoord. Het was een knap staaltje van de recuperatiekunst van het Hof, dat vele (maar blijkbaar niet alle) politieke stromingen kan recupereren en weet in te zetten in functie van het voortbestaan van het land. Later, in 1931, zou Albert I in een brief aan zijn zuster schrijven: "Om mij staande te houden, kan ik alleen rekenen op de steun van het socialisme, want dat is nationaal, voorstander van de Belgische eenheid, en voorstander van centralisme - drie elementen die het tot een bondgenoot van de dynastie maken". De persoonlijke krachttoer van Albert I om een beweging die aanvankelijk een bedreiging vormde voor de staat, om te buigen tot een staatsbehoudende stroming en één van de voornaamste steunpilaren van zijn troon, mag dan wel vanuit staatrechtelijk oogpunt verwerpelijk zijn, men kan toch enige bewondering opbrengen voor dit geslaagd staaltje van sluw en strategisch machiavellisme. Een voorbeeld dat in schril contrast staat met de stuntelige, contra-productieve uitschuivers van de monarchie in de voorbije kwarteeuw, waarop men alleen met enig meewarig hoofdschudden kan reageren.



Paul Belien
Het Belgische Hof is sinds 1909 altijd een bondgenoot geweest van de socialisten: twee handen op één belgicistische buik.
Ook de bewering van dezelfde Van den Wijngaert vanochtend op de radio is onzin. Hij zei er dat Leopold III na de Tweede Wereldoorlog zijn troon verspeelde omdat hij zich in de jaren dertig tegen de socialistische partij had gekant. De BWP-leider Hendrik De Man was echter een persoonlijke vriend en vertrouwensman van de koning, evenals van diens moeder, koningin Elisabeth. De Man en Spaak voerden dezelfde politiek als Leopold. Die zorgde er zelfs voor dat Spaak in mei 1938 de allereerste socialistische premier van België kon worden. Na de oorlog zijn de socialisten zo te keer gegaan tegen Leopold, niet omdat die voor de oorlog hun vijand was geweest, maar om te verdoezelen dat hun eigen partij, de BWP, zelf in de collaboratie was gestapt. Nota bene nog vooraleer de Vlaams-nationalisten die stap hadden gezet.