Vrije meningsuiting
Ten tijde van de Amerikaanse senator McCarthy, begin jaren 50, zagen reeds duizenden hun leven en carriere vernietigd wegens wat ze wel eens zouden kunnen denken. Vandaag duikt de censuur weer op. Deze keer in Europa in het algemeen, en in Belgie in het bijzonder. Denk maar aan de verschillende strafwetten op bepaalde meningen, denk aan het recente initiatief van Waalse kant om 'extremistische partijen' het recht op vergadering of werkingsmiddelen te ontnemen. Ik verwijs hier ook graag naar de uitspraak van Cas Mudde, politicoloog aan de UA, in De Standaard van 27 februari: 'Belgie evolueert naar een van de meest repressieve landen voor politiek andersdenkenden.' Daarbij worden diegenen die de censuur veroordelen ervan beschuldigd medeplichtig te zijn aan de misdrijven waarvan men de gecensureerden beschuldigd. Het recht op vrije meningsuiting is nochtans een grondrecht gegarandeerd door artikel 10 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Maar dit recht is niet absoluut en onbeperkt. Het EVRM zelf stelt in hetzelfde artikel 10 dat regeringen deze vrijheid van meningsuiting kunnen beperken indien deze beperkingen een legitiem doel dienen en nodig zijn in een democratische samenleving. Wat betekent dit? Het hof zelf oordeelde dat bepaalde meningsuitingen buiten de bescherming van het EVRM vallen. Het gaat met name over deze uitingen van meningen 'die gericht zijn tegen de democratie of tegen de rechten en vrijheden van anderen'. Zonder deze formulering juridisch te willen analyseren wil ik er toch politiek-maatschappelijke bedenkingen aan vastknopen. Deze formulering is een goede vertaling van wat er vandaag door de goegemeente voortdurend wordt gepsalmodieerd in dat verband: 'geen vrijheid voor de vijanden van de vrijheid.' Ten eerste roept deze formulering een dilemma op: de toegelaten beperking aan de vrije meningsuiting is een beperking die zelf de democratie en de rechten en de vrijheden van anderen schendt. Zij ondergraaft dus zichzelf. Maar meer fundamenteel lijkt mij deze formulering, en het idee dat erachter zit, gevaarlijk. Zij is gevaarlijk omdat men zich hier op het pad van de politiek begeeft, in de enge zin van het woord. Beperkingen aan de vrijheid van meningsuiting zullen al dan niet toegelaten zijn naar gelang 'men' (maar wie is dat?) het concept 'democratie' of 'vrijheid' op een bepaald moment een bepaalde politieke invulling geeft of deze of gene klemtonen legt. Vindt niemand het vreemd dat in West-Europa deze fundamentele vrijheid politiek inkleurbaar is, daar waar zo'n recht fundamenteel zou moeten zijn, per definitie wars van alle politieke definiering? Inderdaad, diegenen die conformistisch (en dus gemakkelijk) in koor zingen: 'geen vrijheid voor de vijanden van de vrijheid' stellen zich blijkbaar nooit de vraag: wie is nu juist bevoegd om het concept 'vrijheid' in te vullen, en om de vijanden ervan aan te duiden? U? Ik? De (toevallige) meerderheid? Rechters wiens carriere kan afhangen van het nemen van de juiste politieke beslissing? Advocaten, aangesteld en dik betaald door het establishment? Men zegt dat de vrijheid van meningsuiting moet beperkt worden tot in een democratie tolereerbare meningen. Dat is fout, want juist daar begint de vrijheid van meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting heeft geen enkele waarde indien ze voorbehouden blijft aan hen die opinies voorstaan die iedereen en/of de gevestigde orde goed en aanvaardbaar vinden. Zo niet had men nooit algemeen enkelvoudig stemrecht of stemrecht voor vrouwen kunnen afdwingen, was de slavernij nooit afgeschaft, was de integratie tussen blank en zwart in Amerika nooit tot stand gekomen, had Vlaanderen zich nooit ontvoogd, waren vrouwen nooit geemancipeerd...
Bart Servaes, jurist in Washington DC, in De Tijd van 20 november 2003


