Wilfried Martens over het einde van Martens VI

In oktober 1987 waren we weer eens vastgelopen in een crisis over de Voerstreek. Op een prachtige nazomerdag ontving de koning me in het park van Laken. Gespreksonderwerp: moesten er verkiezingen komen of niet? Jean-Luc Dehaene werkte nog aan een oplossing voor de Voer, ook de PSC'ers hebben nadien gezegd dat de toestand niet helemaal geblokkeerd zat. Maar Boudewijn, zo bleek toen in het park, wou absoluut verkiezingen. De vraag is of dat een correcte beslissing was. Boudewijn had toen van sommige Franstalige politici de onwaarschijnlijkste dingen te horen gekregen. Hij was bevangen door een walging - hij was geécoeureerd, ja, dat is het juiste woord. Een PSC-minister, is me verteld, is toen na een gesprek met Boudewijn lijkbleek op zijn kabinet teruggekeerd. Want Boudewijn kon scherp zijn, hé? En bij de PSC was toen elke redelijkheid zoek. Je moet toch zot zijn om je lot te verbinden aan die onnozelaar Happart? Boudewijn heeft decennialang crisis na crisis beleefd, en heeft van de Belgische politici de meest extravagante dingen moeten horen daar in zijn Paleis - 'Ik ben op', zou hij mij enkele jaren later zeggen - maar die keer was het hem te ver gegaan. Ik zag dat hij woedend was. En - dat is dan mijn verantwoordelijkheid - ik deelde zijn impulsieve walging, ik was die Voer-discussies ook kotsbeu, en ben vrij vlug in zijn redenering getreden,zeggende: 'Laten we hier een streep onder trekken. Met Wathelet, Maystadt, Deprez en consorten kan je niks meer ondernemen'. [...] Maar Happart was in die crisis, zoals andere keren, natuurlijk maar een alibi. Er zat veel meer achter de onverzettelijkheid van de PSC: sommigen wilden begrotingsminister Guy Verhofstadt absoluut kwijt. Nu denk ik: we hebben toen een zware vergissing gemaakt. Ik had weerstand moeten bieden aan Boudewijn, ik had moeten zeggen: 'Nee, we gaan door met de liberalen!'.

Wilfried Martens, geïnterviewd door Mark Schaevers in Humo van 24 augustus 2004