Arrogante Europese politici

Het is moeilijk voor Amerikanen om in te schatten hoe out-of-touch het establishment (en het gaat echt om één enkel establishment) in Parijs, Berlijn, Den Haag en Brussel is. Zijn arrogantie tart alle verbeelding. De voormalige Franse president Valéry Giscard d'Estaing, de vader van de grondwet die uit 448 artikelen bestaat, veegde al vroeg in de campagne de bezwaren tegen de wazigheid van het document als volgt weg: "De tekst is makkelijk leesbaar en goed opgesteld, en ik kan het weten, want ik heb hem zelf geschreven". [...]

Het debat over de grondwet biedt het vooruitzicht op een breder daat, en een kans om een aantal zaken in vraag te stellen: de falende verzorgingsstaat, de economie die geen opwaartse mobiliteit toelaat, het falende immigratiebeleid en multiculturalisme, het anti-Amerikanisme en de koelheid ten overstaan van vrijheid en democratie in de wereld, het gebrek aan ernstige inschatting van de gevaren die hen en ons bedreigen. Al deze elementen zijn nu onderworpen aan de publieke discussie.

Om dit als Amerikanen te kunnen begrijpen, kunnen we best terugdenken aan 1990, toen New York aan het instorten was onder David Dinkins en onder een links stadsbestuur. Denk aan de eerste Bush-regering die het contact met de publieke opinie verloren had, en aan de rituele linksheid van de Democratische partij. Denk vervolgens aan 1992: het fenomeen-Perot leek sterk op de huidige revolte tegen de EU-grondwet - luidruchtig, verward, maar niet zonder betekenis.

Het goede nieuws voor Amerika is dat de onvrede uit 1990 een Fudy Giuliani voortbracht aan het hoofd van New York, een Bill Clinton die (tijdelijk) het profiel van de Democraten herdefinieerde, en een Newt Gingrich die de Republikeinen nieuw leven inblies. Vandaag zijn er in Europa tekens in de opgang van Nicolas Sarkozy in Frankrijk, en van sommige fris-denkende, jonge (durvende, noem ik hen) neoconservatieven en neoliberalen doorheen Europa.

William Kristol in The Weekly Standard, 6 juni 2005