Versplinteraars
Het grootste gevaar voor onze Nederlandse taal zit niet in het buitenland, maar midden onder ons. Het zijn de versplinteraars van het Nederlands, die de algemene taal verbrokkelen tot een onafzienbare reeks van streektaaltjes, en de geestverwanten van de strijders voor het Baskisch, het Catalaans, het Oost-Fries en zo meer. Het is nog niet zo heel lang dat alle Nederlanders en Vlamingen elkaar kunnen verstaan. Of dat alle Engelsen elkaar of dat alle Duitsers elkaar kunnen verstaan. Dat is feitelijk pas zo sinds de 19de eeuw. Voordien waren de dialecten nog te verschillend. Geschreven taal was al sinds de Middeleeuwen verstaanbaar, maar gesproken taal kwam pas tot een zekere eenheid in de loop van de 19de eeuw. Hoe ging dat dan, als men elkaar ontmoette? Wel, de meeste mensen zagen nooit iemand van buiten hun streek. En wie wel wat verder kwam, sprak dan Frans. En niet alleen in Brussel, Gent en Antwerpen, maar ook in Amsterdam en Den Haag, in Hamburg, Londen en Sint-Petersburg. Overal in Europa. Niet omdat Frans zo chic was, maar uit noodzaak, omdat je elkaar anders niet kon verstaan. Het is pas sinds de 19de eeuw dat we het Frans niet meer nodig hebben. En nu? Nu vervult het Engels die rol. Internationaal al lang. En als de versplinteraars hun zin krijgen, weldra ook in het binnenland. De verworvenheden van de 19de en 20ste eeuw worden in rap tempo te grabbel gegooid. Er is intussen al menige taalgenoot, laat ik ze nog maar even zo blijven noemen, die ik om de verstaanbaarheid wel liever Engels zou horen spreken. Ik hoor er, die ik soms met moeite versta, zowel in België als in Nederland.
Joop van der Horst in De Standaard van 9 februari 2004


